Computer Ondersteund Opleiden

denboer4u

 

home

voorwoord

inleiding

wat is COO

transfer van kennis

ervaringen

Coo en Transfer

conclusies

samenvatting

woordenlijst

 

 

 

Plaatsbepaling

Wat is COO?

Soorten COO

Kenmerken van COO

Plaatsbepaling

Computers worden gebruikt in een veelheid van toepassingen binnen opleidingen. Pilot onderscheidt een viertal doelen voor het gebruik van ICT bij opleidingen:

  1. het leren over ICT. Het gaat (vooral) om het leren omgaan met digitale informatiebronnen, digitale communicatiemiddelen en culturen en methoden om informatie te bewerken.
  2. het leren met behulp van ICT: als gereedschap. ICT is gereedschap tijdens het leerproces, bijv. bij het maken van werkstukken, het verzamelen van informatie en documentatie, maar ook het gebruik van digitale bronnen.
  3. het leren door middel van ICT: als onderwijsleermiddel. ICT kan ook een middel zijn dat onderwijsactiviteiten (onderwijsleerfuncties) kan uitvoeren, die nu door docenten, (mede)studenten, boeken, handleidingen en beoordelingen gerealiseerd worden. Dus uitleg, tutorial, oefeningen, feedback, simulaties, toetsen e.d.
  4. onderwijsmanagement en -administratie. ICT is een middel om bestuur en beheer te faciliteren: voortgangsregistratie, roosters maken, studiewijzers en andere opleidingsinformatie toegankelijk maken (Pilot, A. 1999).

Ook Camstra heeft een dergelijke onderverdeling gemaakt. Als eerste worden administratieve toepassingen genoemd: registratie van gegeven opleidingen, financiële administratie rond opleidingen en bijvoorbeeld cursistenadministratie.

Dichter naar het werkelijke opleidingsproces ligt vervolgens computer beheerd opleiden (computer managed instruction) Een voorbeeld hierbij is het beheren van toetsvragen, het geautomatiseerd vaststellen van iemands kennen of kunnen, en de voortgang bijhouden per cursist. Computer Ondersteund Opleiden tenslotte zit nog dichter op het leerproces en wordt als medium in het leerproces ingezet: Als datgene waardoor de opleiding tot de cursist komt (Camstra, B. 1994).

In een model naar Salisbury (1973), met tussen haakjes de nummers van de indeling van Pilot, geeft dat het volgende beeld:

 Conceptueel indelingsschema computertoepassingen bij opleiden (naar Salisbury , 1973).

De toepassingen in het indelingsschema (figuur 1) zijn herkenbaar in de (opleidings)praktijk van de Isala klinieken.

Bij administratieve toepassingen (4) kan gedacht worden aan het opleidingsadministratie-systeem waarin planning, registratie, administratie en management informatie zijn ondergebracht. Met een dergelijk systeem hoopt de afdeling opleidingen binnenkort te gaan werken.

Bij instructie met behulp van de computer (2) kan worden gedacht aan het gebruik van computers bij presentaties en symposia om informatie te presenteren, maar ook aan het beschikbaar hebben van verpleegkundige protocollen voor onderzoeken op de computer.

Onder overige toepassingen (1) zou ik het gebruik van internet en intranet willen noemen. Bijvoorbeeld het zoeken naar informatie over opleidingen, het raadplegen van de bibliotheekcatalogus op het intranet, maar ook een excel gebruikersgroep die via e-mail vragen en antwoorden uitwisselt.

Het Computer Ondersteund Opleiden (3) tenslotte wordt bijvoorbeeld gebruikt bij gebruikerstrainingen voor kantoorautomatisering.

naar Top

Wat is COO?

In deze scriptie richt ik mij op het Computer Ondersteund Opleiden (COO). COO is onder vele andere termen bekend die min of meer hetzelfde betekenen: Computer based training (CBT) Computer managed instruction (CMI) Computer assisted instruction (CAI) en mogelijk nog wel meer. Ik heb gekozen voor COO omdat dit begrip breed geaccepteerd lijkt, zowel in bedrijfsopleidingen als in het (hoger)onderwijs, waar het Computer Ondersteund Onderwijs heet.

Een definitie van COO kan zijn: Een opleidingsmethodiek waarbij de computer wordt gehanteerd als medium in het leerproces (Camstra,1984). Deze omschrijving kan de lezer op het verkeerde been zetten. Niet de computer maar het computerprogràmma wordt ingezet in het leerproces. De computer is het apparaat (de hardware) waarop het trainingsprogramma (de courseware, vergelijk software) draait. Dit computerprogramma is erop gericht om een leerproces op gang te brengen en te houden bij een deelnemer. Een tweede definitie: De computer als hulpmiddel bij didactische functies (Kanselaar e.a., 1984) zegt ook meer over het gebruik van de computer dan over de toepassing, de didactische functies.

Een meer uitgebreide definitie van COO is: Een didactische werkvorm waarbij de leerstof, oefeningen en/of toetsen in de computer zijn opgeslagen en, bestuurd door een programma, voor de individuele student beschikbaar zijn. Het programma reageert adequaat op de handelingen van de student waardoor de voortgang en het niveau van het onderwijs zo goed mogelijk aan de student zijn aangepast (Smuling e.a., 1990).

Deze definitie geeft veel duidelijker aan wat er bij COO gebeurt. De terminologie verwijst naar het hoger onderwijs, maar kan ook worden toegepast op het bedrijfsopleiden als het woord onderwijs vervangen wordt door opleiden en het woord student door deelnemer. De definitie wordt dan:

Computer Ondersteund Opleiden (COO) is een didactische werkvorm waarbij de leerstof, oefeningen en/of toetsen in de computer zijn opgeslagen en, bestuurd door een programma, voor de individuele deelnemer beschikbaar zijn. Het programma reageert adequaat op de handelingen van de deelnemer waardoor de voortgang en het niveau van de opleiding zo goed mogelijk aan de deelnemer zijn aangepast.

In het vervolg van deze scriptie ga ik bij de term COO uit van deze definitie.

naar Top

Soorten COO

De toepassingen van COO verschillen enorm. Globaal is er een onderverdeling te maken in een drietal soorten:

  1. Oefeningen (drill and practice). De leerstof bestaat uit oefenopgaven waarmee de kennis van de leerstof wordt getoetst. De deelnemer krijgt feedback op de gegeven antwoorden en overzicht van resultaten in combinatie met suggesties voor verdere oefeningen. Een voorbeeld hiervan is een programma voor het leren van buitenlandse woorden. De reeks woorden wordt aangeboden, fouten komen net zolang terug totdat ze goed zijn beantwoord en na afloop wordt een suggestie gedaan voor het verdere traject (bijvoorbeeld: "uitstekend, ga zo door!" of "Doe deze oefening nog eens").
  2. Tutoriële uitleg (combinatievorm). De leerstof wordt in het programma gepresenteerd waarbij er korte vragen zijn om te controleren of de stof is begrepen. Bij foute antwoorden volgt meestal nadere uitleg. Als voorbeeld het COO-programma voor het gebruik van Power Point. De leerstof wordt gepresenteerd in theorie en demonstraties, per hoofdstuk afgesloten door een meerkeuzetoets waarbij de antwoorden (goed en fout) worden toegelicht. Op basis van het resultaat volgt een suggestie voor het vervolg.
  3. Simulaties. Het simuleren van de werkelijkheid. Deze "werkelijkheid" wordt daarvoor teruggebracht tot zijn belangrijkste elementen en variabelen. Een voorbeeld hiervan is een programma voor het diagnosticeren van eerste hulp patiënten. Het programma simuleert de gegevens van de patiënt (belangrijkste elementen) en zijn reacties op de interventies die de deelnemer pleegt (variabelen).

Daarnaast wordt COO in zeer diverse omgevingen toegepast: Op de basisschool, in het voortgezet-, hoger beroeps- en universitair onderwijs, bij bedrijven, overheden, etc. Los van deze verschillen zijn er wel kenmerken te benoemen die deze toepassingen in meer of mindere mate aan elkaar binden.

 naar Top

Kenmerken van COO

Door de kenmerken van COO die in de literatuur door verschillende auteurs (w.o. Pilot Camstra en Mirande) worden genoemd samen te voegen en opnieuw te schikken, kom ik tot de volgende punten die kenmerkend zijn voor COO:

  1. Flexibiliteit. Onafhankelijkheid van tijd, locatie, en docent.
  2. Door het inzetten van COO toepassingen bij leren wordt de mogelijkheid gecreëerd om het opleiden tijd- en plaatsonafhankelijk te maken, waardoor het flexibeler wordt.
  3. Interactiviteit.
  4. Bij interactiviteit gaat het in essentie om de relatie tussen een mens en het computersysteem dat hij/zij gebruikt (Van de Vijver, 1996). De gebruiker heeft invloed op het gedrag van het computerprogramma. Het programma geeft ook feedback aan de gebruiker waarop de gebruiker zijn/ haar gedrag kan aanpassen. Interactiviteit stimuleert dus ook de activiteit van de gebruiker.
  5. Adaptiviteit.
  6. Bij adaptiviteit moet gedacht worden aan het inspelen op verschillen tussen gebruikers. Denk aan verschillen in de beginsituatie, instroom, verschillende leerstijlen, differentiatie in niveau en inhoud. Omdat onder adaptiviteit verstaan kan worden dat de gebruiker uit eigen initiatief het leermateriaal aanpast of afstemt op zijn of haar voorkeur, heeft deze categorie enige overlap met interactiviteit.
  7. Toegankelijkheid van informatie.
  8. Hieronder wordt verstaan het gemak waarmee men toegang kan verkrijgen tot informatie en de toename van de hoeveelheid en de diversiteit in informatie die toegankelijk is. De hoeveelheid en diversiteit is groter omdat de informatie uit verschillende lagen is opgebouwd. Door middel van hyperlinks of hypertekst is het mogelijk om snel en gemakkelijk toegang te krijgen tot de informatie binnen de toepassing of daarbuiten. Een voorbeeld hiervan is een encyclopedie op CDROM met hyperlinks naar relevante informatie op het internet.
  9. Verrijking en verlevendiging van het onderwijsmateriaal.
  10. Door middel van het gebruik van COO bij leren is het mogelijk om andere bronnen te gebruiken dan die in een boek of syllabus mogelijk zijn. Daarbij valt te denken aan videobeelden, (interactieve) simulaties en animaties. Ook kunnen oefenmogelijkheden worden gevarieerd en uitgebreid. Het beoordelen van en het behandelen van afwijkende hartritmes bij patiënten kunnen bijvoorbeeld middels COO op een veilige manier geoefend worden, zelfs gekoppeld aan een reanimatiepop.
  11. Inzicht in de voortgang. COO toepassingen geven de gebruiker op elk gewenst moment inzicht in de voortgang. Enerzijds door aan te geven welke onderdelen van de COO toepassing aan bod zijn geweest, anderzijds door aan te geven wat het leerresultaat tot op dat moment is bijvoorbeeld door een score aan te geven of door tussentoetsen.
  12. Bevorderen van motivatie. De bovengenoemde punten hebben in de regel een motiverend effect op de gebruiker.
  13. Standaardisatie. Hoewel de weg waarlangs verschilt per deelnemer is het aanbod van COO gestandaardiseerd. Bij het volledig doorlopen van het programma is voor elke gebruiker dezelfde leerstof aan bod geweest.

Twee andere kenmerken die in de literatuur naar voren komen, maar die ik niet meeneem in deze lijst, zijn kostenbesparing en effectiviteit.

Kostenbesparing lijkt voor de hand liggend; een cursus coachen op CDROM is al gauw € 1000,- goedkoper dan een klassikale training in hetzelfde onderwerp. Als echter het effect van de cursus wegblijft is de investering voor niets geweest. Andere, wat minder zichtbare kosten zijn de tijd dat een opleidingsfunctionaris bezig is met begeleiding van een COO, de kosten voor de inrichting van apparatuur en begeleiding van automatiseringsdeskundigen. Het voert daarom te ver om te stellen dat kostenbesparing een kenmerk is van COO.

Effectiviteit van leren heeft veel raakvlakken met transfer van kennis, een begrip wat ik in het volgende hoofdstuk verder uitwerk. Of transfer van kennis (en dus effectiviteit) wordt bevorderd door COO ligt in mijn vraagstelling. Het is dus te vroeg om effectiviteit als kenmerk van COO te bestempelen.

naar Top