Kennis
Het
leerproces
Kolb
/ Noanaka en Takeuchi
Transfer
Vormen
van transfer / Near-transfer en far-transfer
Transferbevorderende
maatregelen
Aspecten
die de transfer bevorderen
"Mensen
kunnen niet niet leren. Leren gaat vanzelf; daar doe je niets aan. Waar
wel wat aan gedaan kan worden is de effectiviteit en de efficiency van
dat leren" (Weggeman 1997).
Het
leren in organisaties staat sterk in de belangstelling. Levenslang leren,
leren leren en de lerende organisatie zijn begrippen die in veel
bedrijven uitgedragen worden. De toegenomen vraag naar "werkleren"
wordt mogelijk veroorzaakt door snelle veranderingen in de maatschappij
en het bedrijfsleven en een gebrek aan mobiliteit in de arbeidsmarktsituatie
(Thijssen, 1998).
Mede
door deze snelle veranderingen is het belang van kennis toegenomen:
de kennis-economie of de kennis-maatschappij. De omgeving wordt meer
en meer door technologie bepaald, en verandert voortdurend. De halfwaardetijd
van kennis wordt steeds korter. Het is niet meer voldoende om één keer
een vak te leren en daar vervolgens de rest van de loopbaan mee voort
te kunnen. Kon een verpleegkundige vroeger met een basisopleiding 10
jaar vooruit, ik zou nu (na drie jaar uit het vak) al een behoorlijke
hoeveelheid kennis missen. Een ander voorbeeld is een automatiseringsmedewerker
voor wie de "waarde" van de kennis misschien al na 4 jaar
gehalveerd is.
Hoe,
en in welke mate iemand deze kennis toepast in de werksituatie is van
groot belang voor een organisatie. Transfer is letterlijk verplaatsen.
De voetballer van de ene naar de andere club, de patiënt van het bed
op de stoel, de kennis van het "leslokaal" naar de werkplek.
In
dit hoofdstuk worden kennis, het leerproces en het begrip transfer verder
uitgewerkt.
naar
top
Kennis
Onder
kennis wordt hierboven niet alleen verstaan het weten van data of gegevens
(de temperatuur, 15 deelnemers), maar ook de betekenis die iemand aan
deze gegevens geeft. Daarmee worden de gegevens informatie (15
deelnemers als er 30 gepland zijn). Deze informatie is nog maar een
onderdeel van de kennis. Ook ervaring, vaardigheden en attitude maken
hier deel van uit. Kennis in deze vorm kan niet buiten een individu
bestaan. Enerzijds omdat de informatie bestaat uit gegevens waaraan
een betekenis is gegeven, anderzijds omdat ook persoonlijke ervaringen,
vaardigheden en attitude deel uitmaken van die kennis.
Kennis
kan dan als volgt gedefinieerd worden:
Kennis
is een -al dan niet bewust- persoonlijk vermogen dat iemand in staat
stelt een bepaalde taak uit te voeren. Dit vermogen is het metaforisch
product van de informatie (I), de ervaring (E), de vaardigheden (V)
en de attitude (A) waarover iemand op een bepaald moment beschikt. In
formule gezet: K = I . EVA (Weggeman, 1997).
Het
mooie van deze definitie vind ik dat kennis ruimer wordt gezien dan
alleen het weten en interpreteren van data of gegevens, de meer traditionele
opvatting, en dat het een onderscheid maakt tussen deze expliciete kennis
en impliciete kennis als ervaring, vaardigheden en attitude. Kennis
is in deze definitie een momentopname, het is voortdurend in verandering
door nieuwe informatie, door de ervaring met deze informatie in het
werk, door het uitvoeren van vaardigheden, door de houding waarmee iemand
naar deze ervaring kijkt. Dit proces van veranderende kennis zou je
leren kunnen noemen:
Leren
is het doorlopen van een proces waarmee (impliciete en/of expliciete)
kennis gecreëerd wordt.
In
de combinatie van deze definities komen een aantal belangrijke punten
van leren naar voren:
- Leren
kan bewust en doelgericht, maar ook onbewust en ongericht plaatsvinden.
- Leren
/ kennis wordt gezien als een vermogen een bepaalde (werk)taken uit
te voeren.
- Het
leerproces is een proces van veranderen, leren is veranderen.
- Informatie,
ervaringen, vaardigheden en attitude zijn (onlosmakelijk) aan elkaar.
verbonden
- Resultaten
van leren kunnen tot uitdrukking komen in een veranderde wijze van
werken en in veranderde arbeidsresultaten.
Deze
punten zijn ook in min of meerdere mate terug te vinden in andere definities
van leren zoals die van Bolhuis en Simons (1999), maar voor deze scriptie
gebruik ik de definitie van kennis en leren naar Weggeman (1997).
naar
top
Het
leerproces
Kolb
De
bovengenoemde aspecten van leren (en kennis) zijn terug te herkennen
in de leercirkel van Kolb over het (ervarings)leren van volwassenen.
Volgens
Kolb is het leren een cyclisch proces waarbij vier verschillende cognitieve
(leer) vaardigheden bestaan die meer of minder concreet of abstract
zijn en meer of minder actief of passief. In een model weergegeven ziet
dat er als volgt uit:
Uitgaande
van de eerder beschreven definities wordt in elk part van de cirkel
expliciete en/of impliciete kennis gecreëerd.
Concrete
ervaring (CE)
Het vermogen vooral veel indrukken op te doen staat
voorop. Nieuwe ervaringen worden opgedaan door te dóen, bijvoorbeeld
een eerste dag op het werk. De basis wordt gelegd voor het verwerken
van die ervaringen. De nadruk ligt op de impliciete kennis, ervaring
en vaardigheden staan centraal.
Reflectieve
observatie (RO)
Hier
gaat het om het reflecteren op de concrete ervaringen en het observeren
vanuit verschillende invalshoeken. Beschouwen en nadenken over wat is
meegemaakt. De overgang van concrete indrukken (de impliciete kennis)
naar een abstracte theorie (de expliciete kennis) wordt gemaakt. Ervaring
en attitude vormen een basis voor nieuwe informatie.
Abstracte
conceptualisatie (AC)
Het
ontwikkelen van abstracte begrippen en generalisaties. Door de ervaringen
te koppelen aan de informatie worden de ervaringen op een hoger plan
gebracht. Expliciete kennis staat hierin centraal. Bijvoorbeeld door
studie of door het combineren van informatie ontstaan nieuwe gegevens
waaraan een betekenis kan worden gegeven. De combinatie van de leertheorie
van Kolb met de nieuwe definities van kennis en leren levert mij nieuwe
informatie op.
Actief
experimenteren (AE)
De
(nieuw) gevormde begrippen worden in nieuwe situaties getoetst. De modellen
of theorieën worden gebruikt bij het nemen van beslissingen of het oplossen
van problemen. De overgang wordt weer gemaakt van expliciete naar impliciete
kennis. Informatie en vaardigheden hebben hier de meeste aandacht.
naar
top
Noanaka
en Takeuchi
Nonaka
en Takeuchi (1995) onderscheiden in hun werk over de kenniscreërende
onderneming een viertal leerprocessen rondom expliciete kennis (codified
knowledge) en impliciete kennis (tacit knowledge). Zij stellen dat in
het westen de nadruk nog veel te veel ligt op het expliciete leren in
de vorm van onderwijs, cursussen etc., en benadrukken de waarde van
het impliciete leren waarbij het gebruik van ervaring en intuïties ook
een belangrijke plek heeft.
Een
voorbeeld van socialiseren (van impliciet naar impliciet) is het leren
van omgangsnormen met klanten op een afdeling. Externaliseren (van impliciet
naar expliciet) zou dan zijn het vastleggen of verwoorden van deze impliciete
normen. Door te combineren (van expliciet naar expliciet) zou gekeken
kunnen worden of deze normen ook van toepassing zijn op bijvoorbeeld
het omgaan met collegas. Internaliseren (van expliciet naar impliciet)
is tenslotte het oefenen en eigen maken van deze normen (vergelijk "onbewust
bekwaam").

Beide
indelingen lijken op elkaar en ook de afzonderlijke onderdelen van het
leerproces zijn in grote lijnen vergelijkbaar:
Concrete
ervaring (CE) is min of meer te vergelijken met socialiseren, Reflectieve
observatie (RO) is min of meer te vergelijken met externaliseren, Abstracte
conceptualisatie (AC) is min of meer te vergelijken met combineren en
Actief experimenteren (AE) is min of meer te vergelijken met internaliseren.
naar
top
Transfer
Het
is voor de organisatie van belang dat de kennis die is opgedaan in deze
leerprocessen zo goed mogelijk wordt toegepast in die organisatie. Het
gaat hierbij dus niet alleen om de kennis die is opgedaan in cursussen
of in bedrijfsopleidingen, maar ook kennis die daarbuiten is opgedaan
door bijvoorbeeld reflectieve observatie (Kolb) of socialisatie (Nonaka).
Zo kan ik de kennis over management die ik heb opgedaan in de tijd dat
ik huisman was gebruiken in mijn werk als het gaat om het managen van
een ingewikkeld opleidingstraject.
Vormen
van transfer
Bolhuis
en Simons (1999) onderscheiden drie vormen van transfer:
- Algemene
transfer. Het in werksituaties gebruiken van kennis (dus ook ervaring,
vaardigheden en attitude), ongeacht waar deze is verworven.
- Specifieke
transfer. Het in werksituaties gebruiken van kennis die is verworven
in door het bedrijf geplande opleidingen (trainingen, cursussen, e.d.).
- Transfer
van leervermogen. Het gebruiken van kennis ten behoeve van het
leren in het werk en/of in afzonderlijk geplande leersituaties, ongeacht
waar deze kennis is verworven.
Punt
twee en drie zijn in wezen subcategorieën van algemene transfer.
In
bedrijven gaat de meeste aandacht uit naar de specifieke transfer omdat
het hier gaat om een geplande investering waarbij een bepaald resultaat
wordt beoogd. Idealiter zouden deze beoogde resultaten in leerdoelen
en in concreet werkgedrag beschreven moeten zijn zodat het leereffect
kan worden gemeten.
De
transfer van leervermogen krijgt steeds meer aandacht. Leren, zowel
in het werk zelf als in door het bedrijf geplande leersituaties, wordt
belangrijker naarmate van werknemers een grotere flexibiliteit en creativiteit,
en een voortdurende aanpassing van kennis wordt verwacht (zie ook inleiding
hoofdstuk 5).
Voorbeelden
van deze transfer van leervermogen zijn intervisie- en supervisietrajecten
waarbij het reflectief vermogen van deelnemers wordt gestimuleerd.
Omdat
ik me in deze scriptie beperk tot één aspect van door de organisatie
geplande leeractiviteiten, namelijk COO, zal ik me hier vooral richten
op de specifieke transfer. De andere vormen van transfer komen daarbij
wel zijdelings aan bod.
naar top
Near-transfer
en far-transfer
Voor
de afstand waarover transfer plaatsvindt wordt wel gesproken over near-transfer
en far-transfer. Deze transferafstand is de mate van overeenkomst tussen
de kennis waarover een persoon beschikt en de mate van kennis die nodig
is in een bepaalde situatie. Near- en far-transfer kunnen gezien worden
als twee polen in het spectrum van deze transferafstand (Bolhuis &
Simons 1999).
Bij
near-transfer is er weinig verschil tussen de kennis die iemand opdoet,
bijvoorbeeld in een bedrijfsopleiding, en de kennis die nodig is in
een bepaalde situatie. Om near-transfer te bereiken is er vaak sprake
van het automatiseren van kennis. Deze kennis is handelingsgericht en
erop gericht om bepaalde handelingen (deels) onbewust te laten gebeuren.
Door deze kennis herhaald aan te bieden in een context die zoveel mogelijk
overeenkomt met de werksituatie wordt near-transfer bevorderd. Voor
een cursus toetsenbordvaardigheid is het bijvoorbeeld van belang dat
de kennis grotendeels geautomatiseerd wordt. Dit wordt bereikt door
veelvuldig in een zelfde context te oefenen.
Bij
far-transfer is het verschil tussen de situatie waarin kennis is opgedaan
en de context waarin de kennis moet worden toegepast groter. Het vraagt
om een meer bewuste keuze welke informatie, ervaring, vaardigheden en
attitude benodigd zijn in de verschillende situaties. De kennis is meer
achtergrondgericht. Voor het bereiken van far-transfer zal bijvoorbeeld
meer kennis aangeboden worden over modellen of principes, die vervolgens
in verschillende situaties worden geoefend. Een voorbeeld van een leeractiviteit
die gericht is op far-transfer is intervisie waarbij de deelnemers binnen
een bepaalde structuur over ingebrachte situaties uit verschillende
contexten leren.
naar
top
Transferbevorderende
maatregelen
Welke
maatregelen kunnen er genomen worden om de transfer van kennis te bevorderen?
Simons
(1990) richt zich in zijn artikel op de "interne representatie
van kennis en vaardigheden" van de lerende: de kenmerken van de
kennistoestand van de lerende. Hierbij worden negen transfercondities
onderscheiden die leiden tot negen instructiemaatregelen die de transfer
bevorderen.
Bolhuis
en Simons (1999) gaan uit van algemene criteria waaraan een leeractiviteit
zou moeten voldoen en spitsen die toe op elementen die in het bijzonder
met transfer te maken hebben.
Het
DOZ 3 boek Didactisch Vademecum (1984) onderscheidt een twaalftal
leerprincipes die van toepassing zijn op de beginkenmerken van de student,
informatieverwerking, leervoorwaarden en doelgericht leren. Hoewel niet
benoemd als transferbevorderende maatregelen dragen deze leerprincipes
wel bij aan de effectiviteit van leren en dus indirect aan transfer.
De stichting AWOZ (1998) komt tenslotte met een overzicht van maatregelen
die door opleiders en door de organisatie genomen kunnen worden.
Op
basis van hiervan kom ik hieronder tot een eigen opsomming waarin deze
bronnen (in meer of mindere mate) terug te vinden zijn.
naar top
Aspecten
die de transfer bevorderen
- Er
is sprake van een opleidingsnoodzaak. De te verwerven kennis sluit
aan bij de behoefte van de organisatie en de deelnemer. De opleidingsbehoefte
van de organisatie kan tot uiting komen in het formuleren van leerdoelen
op werkgedrag. De behoefte van de organisatie en de deelnemer komen
niet altijd overeen. De vraag van een deelnemer naar een cursus kantklossen
is maar voor weinig organisaties van belang.
- Betrokkenheid
van het management. Betrokkenheid kan zich uiten door mee te denken
en praten over de gevraagde leeractiviteit, duidelijk te zijn in verwachtingen
naar gewenst werkgedrag, in het creëren van randvoorwaarden op de
werkplek, het stimuleren van de deelnemer om het geleerde in praktijk
te brengen. Alle bovengenoemde voorbeelden kunnen zowel in het voortraject,
tijdens of in het na-traject van een leeractiviteit plaatsvinden.
In het topmanagement kunnen strategische beleidsuitgangspunten worden
gesteld over de plek en de betekenis van leren in de organisatie.
- Tot
stand brengen van geheugenrepresentaties. De kennis die wordt
aangeboden moet aansluiting vinden bij bestaande informatie, ervaring,
vaardigheden en attitude van de deelnemer. Op basis van aanwezige
impliciete en expliciet kennis wordt nieuwe kennis gecreëerd. De opleider
kan helpen verbindingen te leggen tussen nieuwe en aanwezige kennis.
- Het
aanbieden van leeractiviteiten die:
- in
overeenstemming zijn met de leerdoelen. De leerdoelen dienen zo concreet
mogelijk naar de werksituatie geformuleerd te zijn. Ook evaluatievormen
en criteria moeten vooraf duidelijk zijn en gerelateerd aan de leerdoelen.
Discrepantie tussen werksituatie en opleidingsdoelen is een grote
bron van transferproblemen.
- gevarieerd
zijn. Herhaling van het kennisaanbod in afwisselende leeractiviteiten.
- deelnemers
inzicht geven in de vorderingen.
- actieve
betrokkenheid van de deelnemers stimuleren.
- gestructureerd
zijn. Gebruik van een heldere en hanteerbare structuur. Aanbod van
de leeractiviteiten in duidelijke stappen.
- gefaseerd
zijn. Opbouw van de leeractiviteit in fasen. Het kan zinvol zijn om
de leeractiviteit in stukken te knippen en tussendoor perioden te
werken en bezig te zijn met bijvoorbeeld opdrachten. Ook kan gedacht
worden aan terugkomdagen of intervisie na een leeractiviteit.
- Het
(subjectieve) nut van de te leren kennis. Evenals bij de drie
vormen van transfer kan het nut van de te leren kennis liggen in het
dagelijkse bestaan (algemeen) in het werk (specifiek) of in toekomstige
leeractiviteiten (leervermogen). Het actief en betekenisvol bezig
met leerstof kan bevorderd worden door de relatie met de leerdoelen
te benadrukken, maar ook door de deelnemer dit zelf te laten ontdekken.
- Motivatie
oriëntatie. Dit is een affectieve transferconditie. De deelnemer
voelt zich letterlijk en figuurlijk "vrij" om te leren.
De motivatie kan versterkt worden door het relatieve nut van de leeractiviteit
te benoemen. De motivatie oriëntatie wordt meer gestimuleerd door
te toetsen op het beheersen van kennis (in brede zin) in relatie met
de leerdoelen, dan door multiple choice toetsen op feitenkennis. Feedback
op de voortgang heeft in de regel een positief effect op de motivatie.
- Contextualiseren.
Het verbinden van de leerstof met de context. Ook hier weer blijkt
het belang van leerdoelen die gekoppeld zijn aan de werkplek, of het
opleiden op de werkplek. Een andere manier om contextualiseren te
bevorderen is om de realiteitswaarde van de oefeningen zo hoog mogelijk
te laten zijn. Contextualiseren leidt in eerste instantie tot near-transfer.
- De-contextualiseren.
Om het geleerde ook in andere situaties toe te kunnen passen is het
nodig om los te komen van de context. Een aardig voorbeeld is hier
de Belgische meneer die in Rotterdam van zijn plezierjacht viel en
dreigde te verdrinken. Toen men na zijn redding in zijn binnenzak
een zwemdiploma aantrof en hem vroeg waarom hij niet gewoon naar de
kant gezwommen was antwoordde hij dat hij niet wist of het diploma
ook in Nederland geldig was
De-contextualiseren leidt tot far-transfer.
Belangrijkste praktische maatregel hierbij is het herhalen van de
leerstof in verschillende situaties.
- Instructie
gericht op strategieën (probleemoplossing, zelfregulatie, transferstrategieën).
De opleider of manager fungeert hierbij als rolmodel en kan vanuit
zijn eigen ervaring voorbeelden geven. De verantwoordelijkheid voor
het toepassen van de strategieën verschuift steeds meer naar de deelnemer.
- Metacognitieve
kennis. Het opdoen van kennis over kennisverwerving. Hierbij kan
bijvoorbeeld gedacht worden aan het stimuleren van het reflectieve
vermogen van de deelnemers en aandacht voor de leerstijlen van de
deelnemers.
Terugkijkend
naar de drie vormen van transfer (algemeen, specifiek, en leervermogen,
zie 3.3.1) zijn de genoemde maatregelen allemaal van toepassing
op de specifieke transfer. De transfer van leervermogen wordt met name
bevorderd in de laatste drie punten die tevens leiden tot far-transfer.
De punten 1 t/m 7 leiden in eerste instantie tot near-transfer.
Zorgdragen
voor deze transferbevorderende maatregelen is een gemeenschappelijke
verantwoordelijkheid van het management, de opleiders / trainers, de
ontwerpers van opleidingen en de medewerkers. Zij vertegenwoordigen
samen ook het gebied waarin impliciete en expliciete kennis wordt opgedaan
en waarin dus wordt geleerd.
De
maatregelen hebben niet alleen betrekking op de uitvoering van leeractiviteiten,
maar ook op het voor en natraject daarvan. Dit vindt allemaal plaats
binnen het methodische proces van het vaststellen van het huidige en
het gewenste werkgedrag , het plannen van (leer)activiteiten, het ontwikkelen
en uitvoeren van deze (leer)activiteiten en de (effect)evaluatie.
naar
top