In
deze scriptie wordt een antwoord gezocht op de vraag: welke aspecten
bevorderen de transfer van kennis bij Computer Ondersteund Opleiden?
De
rol van Informatie en Communicatie Technologie (ICT) in de maatschappij
wordt steeds groter. Ook in (bedrijfs-)opleidingen is deze invloed zichtbaar:
ondersteuning in de vorm van bijvoorbeeld tekstverwerking en het opslaan
van gegevens, het gebruik van internet, programmas voor opleidingsadministratie
en Computer Ondersteund Opleiden (COO).
Computer
Ondersteund Opleiden (COO) is een didactische werkvorm waarbij de leerstof,
oefeningen en/of toetsen in de computer zijn opgeslagen en, bestuurd
door een programma, voor de individuele deelnemer beschikbaar zijn.
Het programma reageert adequaat op de handelingen van de deelnemer waardoor
de voortgang en het niveau van de opleiding zo goed mogelijk aan de
deelnemer zijn aangepast.
Het
grote aantal toepassingsgebieden en de verschillende vormen van COO
(drill and practice, tutoriële uitleg en simulaties) maken het moeilijk
om de verschillende COO programma's te vergelijken. Wel zijn er een
achttal kenmerken van COO te benoemen die deze programma's in meer-
of mindere mate met elkaar verbinden.
Voor
organisaties is het in deze snel veranderende (kennis) maatschappij
van steeds groter belang om kennis voortdurend op peil te houden en
uit te breiden, onder andere in de vorm van bedrijfsopleiden.
Kennis
wordt in deze scriptie beschouwd een -al dan niet bewust- persoonlijk
vermogen dat iemand in staat stelt een bepaalde taak uit te voeren.
Dit vermogen is het metaforisch product van de informatie (I), de ervaring
(E), de vaardigheden (V) en de attitude (A) waarover iemand op een bepaald
moment beschikt. Hierbij is informatie de expliciete kenniscomponent,
en zijn ervaring, vaardigheid en attitude de impliciete kenniscomponent.
Leren is in deze definitie het doorlopen van een proces waarmee (impliciete
en/of expliciete) kennis gecreëerd wordt.
Er
is sprake van transfer als deze kennis wordt toegepast in een andere
situatie dan deze is opgedaan. Voor de mate van transfer wordt gesproken
van transferafstand, waarbij de verschillen tussen leersituatie en toepassingssituatie
bij near-transfer gering zijn en bij far-transfer groter. Van de maatregelen
die te nemen zijn om transfer te bevorderen worden er in deze scriptie
tien onderscheiden.
Door
nu de kenmerken van COO te koppelen aan de transfermaatregelen onstaat
een beeld waaruit blijkt dat COO vooral geschikt is voor het aanbieden
van expliciete kennis in leersituaties die primair gericht zijn op het
bereiken van near-transfer.